18 mei 2006

Hugo de Groot

Hugo de Groot werd geboren te Delft als telg van een Nederlands patriciërsgeslacht. Zijn vader, Jan de Groot (1554-1640), had veel bekende geleerden uit de Republiek als vriend. Deze geleerden herkenden al snel Hugo's bijzondere begaafdheid; zo kon De Groot al vanaf zijn achtste dichten in het Latijn. Dit leidde er toe dat De Groot al op zijn elfde ging studeren aan de universiteit van Leiden.

Hij schreef onder andere Latijnse tragedies, theologische verhandelingen, en ook Latijnse en Nederlandse gedichten. Zijn belangrijkste werken liggen op historisch en juridisch gebied. Zijn beroemdste werk is De iure belli ac pacis (Over het recht van oorlog en vrede) uit 1625. Dit vormt de basis voor het moderne volkenrecht.

De Groot was tevens theoloog. Hij trachtte zijn overtuigingen te verenigen met het calvinisme maar slaagde hier niet in, omdat het idee dat God niet in alles het laatste woord heeft niet verenigbaar is met het concept van predestinatie. Om deze reden sloot hij zich aan bij de volgelingen van Jacobus Arminius, de remonstranten. Dit pakte echter verkeerd uit en na ingrijpen van Prins Maurits in de godsdienstige twisten werd hij samen met onder andere Johan van Oldenbarneveldt opgepakt en veroordeeld. Van Oldenbarneveldt werd terechtgesteld en Hugo de Groot door een college van 24 rechter 'ter eeuwige gevangenisse' op Slot Loevestein veroordeeld.

Op 5 juni 1619 kwam Hugo hier aan, gevold door zijn vrouw Maria van Reigersberg en dienstmeisje Elsje van Houweningen. Hij mocht blijven studeren. Daarvoor kreeg hij uit Leiden boeken in een kist die soldaten bij een familie in Gorinchem ophaalden en wegbrachten. Dat bracht Maria op een idee. Zij maande Hugo: "Kruip in die kist en zorg dat je er twee uur in kunt blijven zitten zonder geluid te maken". Ze liet hem avonden lang oefenen.

Op 22 maart 1621 was het jaarmarkt in Gorinchem. De gevangenisbaas was weg. Maria legde met Elsje de boeken in bed, zodat het net leek of Hugo weer eens ziek was. Met alleen zijn ondergoed en zijden kousen aan kroop hij in de kist. Elsje ging met de soldaten mee en hield de kist in de gaten. Eenmaal bij de familie aangekomen snelde Hugo eruit om in metselaarskleren naar Parijs te vluchten.

In 1631 keerde hij terug naar Rotterdam, in de hoop dat hij zich weer in Holland kon vestigen. Zes jaar na de dood van Prins Maurits was het politieke klimaat onder diens opvolger Frederik Hendrik veel minder geworden. Burgermeester van Berkel pleitte voor amnestie voor hem in de Staten van Holland. Ook Hooft die tot de kring rond de stadhouder behoorde deed een goed woordje. Maar De Groot zelf weigerde welk verzoek dan ook tot de Staten of de prins te richten. Het jaar daarop vaardigden de staten een nieuw arrestatiebevel uit, en moest hij opnieuw in ballingschap gaan.

Vanaf 1634 leefde hij als gezant van Zweden in Parijs. Het was zijn taak om Franse steun te winnen voor de Zweedse interventiepolitiek in Duitsland. De Zweden streden aan de zijde van de Duitse protestanten in de dertigjarige oorlog. Als principiëel en wat rechtlijnig remonstrant kon hij echter moeilijk overweg met de opportunistische Fransen onder kardinaal Richelieu. Onder invloed van de "franse partij' aan het hof in Stockholm werd hij op 20 december 1644 teruggeroepen.

De jonge koningin Christina wilde hem tot staatsraad benoemen om haar te adviseren in zaken van buitenlandse politiek. Maar bovenal wilde ze hem een wetenschappelijke bibliotheek voor haar laten samenstellen. De Groot voelde daar niets voor. Ook het noordelijke klimaat trok hem en zijn vrouw weinig. In maart 1645 vertrok hij uit Stockholm, naar Lübeck. Zijn schip leed echter schipbreuk bij het oversteken van de Baltische zee. Hij kwam veilig aan wal, maar ver naar het oosten. Te paard reisde hij vanaf 13 augustus richting Lübeck, maar uitgeput bereikte hij Rostock. Daar overleed hij op 28 augustus. Zijn laatste woorden zouden zijn geweest: "door veel te begrijpen, heb ik niets bereikt". Hugo de Groot ligt begraven in de Nieuwe Kerk in Delft, vlakbij Prins Maurits.