27 mei 2006

James Cook

James Cook (27 oktober 1728 - 14 februari 1779) was een Engelse ontdekkingsreiziger. Cook was van afkomst een boerenzoon, nam dienst bij de Engelse marine en trok voor het eerst de aandacht door zijn voortreffelijk cartografisch werk ten behoeven van de Engelse actie in Canada tijdens de Zevenjarige Oorlog. Zijn bekwaamheden als cartograaf en astronoom brachten hem er ten slotte toe in dienst te treden van de Royal Society, die hem drie grote reizen liet ondernemen.

Afgezien van zijn grote ontdekkingen, die mede de grondslag voor het Britse Imperium in Australië en Oceanië legden, berust Cooks roem op zijn prestaties op nautisch, astronomisch en cartografisch gebied en op het feit dat hij als eerste doeltreffende dieetmaatregelen (zuurkool) tegen scheurbuik weet te vinden. Daarnaast zijn Cooks expedities oor de aanwezigheid van onderzoekers ook van groot belang door de nieuwe kennis die op velerlei gebied wordt verzameld. Van James Cook kan worden gezegd dat hij, op vreedzame wijze, meer dan wie ook veranderingen op de wereldkaart heeft aangebracht.

Op 21 december 1762 trouwde hij met Elizabeth Batts. Samen kregen zij zes kinderen. James Cook stierf op 14 februari 1779 op Hawaii tijdens zijn derde grote reis. Deze eilandengroep werd door Cook zelf, die er de officiële ontdekker van was, ook wel de Sandwich Islands genoemd. Hij werd vermoord tijdens een ruzie om de vermeende diefstal van een boot.

23 mei 2006

Jacobus Arminius

Jacobus Arminius werd in 1559 of 1560 geboren in Oudewater. Op het moment van zijn geboorte was zijn vader, een wapensmid, al overleden. Jacobus Arminius werd opgevoed door Theodorus Aemilius, een priester met protestantse sympathieën. Omstreeks 1572 verhuisde Arminius met Aemilius naar Utrecht. Waarschijnlijk studeerde Arminius daar aan de Hieronymusschool. Nadat Aemilius in in 1574 of 1575 overleed, kwam Arminius in contact met de wiskundige Rudolphus Snellius, die ook uit Oudewater kwam. Snellius liet Arminius studeren in Marburg, waar Snellius hoogleraar was. In 1576 schreef Arminius zich als student vrije kunsten en theologie in aan de Universiteit van Leiden. Tijdens zijn studie viel hij zo op, dat hij van het kramersgilde van Amsterdam een beurs kreeg om verder te studeren in Genève. Arminius studeerde daar onder de opvolger van Calvijn, Thédore Béza. Na zijn studie in Genève reisde hij in 1586 naar Italië. In 1587 werd hij beroepen als predikant in Amsterdam.

Het daarop volgende jaar werd Arminius bevestigd als predikant van de Oude Kerk. In Amsterdam trouwde hij in 1590 met Lijsbet Reael (1569-1648). Vanaf 1591 werd Arminius aangevallen door zijn collega-predikant Petrus Plancius, vanwege Arminius' vrije interpretatie van de predestinatie. In 1593 werd hun ruzie gesust.

In 1603 werd Arminius hoogleraar theologie in Leiden. Zijn collega-hoogleraar Franciscus Gomarus protesteerde hier heftig tegen. Vrijwel direct, in 1604, kwamen de hoogleraren met elkaar in botsing. Hun conflict draaide tevens om de predestinatie. Voor Gomarus lag het al voor het begin van de Schepping vast wie verdoemd zou zijn en wie uitverkoren was, voor Arminius was dit niet het geval. De Amsterdamse predikant Plancius mengde zich in de strijd en koos partij voor Gomarus. Al snel groeide het religieuze meningsverschil uit tot een nationale, politieke strijd. In 1607 werd een commissie in het leven geroepen die het conflict moest beslechten. Pas in 1618 zou tijdens de Synode van Dordrecht besloten worden dat de leer van Gomarus de leer van de Gereformeerde Kerk was.

Om het conflict te stoppen werden Arminius en Gomarus opgeroepen voor het Hof van Holland en de Staten van Holland te verschijnen. Dit loste niets op. In 1609 belegden de Staten van Holland een nieuwe zitting om de theologen bij elkaar te brengen. Arminius moest deze zitting wegens ziekte verlaten: hij stierf in Leiden op 19 oktober van dat jaar. Zijn volgelingen, de remonstranten, scheidden zich na de Synode van Dordrecht af van de Gereformeerde Kerk.

22 mei 2006

Claudius Galenus

Claudius Galenus (131 - 201) was een Grieks/Romeinse arts. Zijn geneeskundige systeem domineerde de artsenijkunde bijna 1500 jaar lang.

Galenus werd geboren in Pergamum, in het noord-westen van Klein-Azië. Op zeventienjarige leeftijd begon hij aldaar met zijn medische studie. Vier jaar later vertrok hij naar in die tijd belangrijke medische centra als Smyrna, Korinthe en Alexandrië om zijn studie voort te zetten. Na een verblijf van ruim vijf jaar in Alexandrië, keerde hij in het jaar 160 weer terug naar Pergamum. Daar werd hij aangesteld als arts van de gladiatoren die in het amphitheater van de stad vochten. In 164 vertrok Galenus naar Rome. Daar zou hij uiteindelijk uitgroeien tot een zeer succesvol arts.

Centraal in het denken van Galenus stond het gedachtegoed van Hippocrates' theorie dat het menselijk lichaam bestaat uit vier lichaamssappen of humores: slijm, bloed, gele gal en zwarte gal, en dat elk sap een bepaald temperament vertegenwoordigt. Onbalans in hoeveelheden van een of meer van deze sappen zou ziekte en andere stoornissen veroorzaken. Een disbalans werd behandeld door middel van een dieet. Nieuw was dat Galenus deze sappen koppelde aan de vier elementen water, vuur, lucht en aarde.

Galenus bleef eeuwenlang de hoogste medische autoriteit, totdat Andreas Vesalius en William Harvey de fundamentele misvattingen van deze theorieën aantoonden.

21 mei 2006

Voltaire

François-Marie Arouet werd geboren op 21 november 1694 in Parijs. Hij kreeg les op Louis-le-Grand, de meest prestigieuze jezuïtenschool in Parijs. Hij verliet de school op zijn zestiende en niet lang daarna maakte hij al vrienden bij de Parijse aristocraten. Zijn humoristische gedichten maakten hem populair in die kringen. In 1717 kreeg hij problemen met de autoriteiten vanwege zijn scherpe teksten. Hij werd voor elf maanden veroordeeld naar de Bastille wegens satire over de Franse overheid. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis schreef hij Oedipe wat zijn eerste theatersucces zou worden. Hierna ging hij de naam "Voltaire" gebruiken.

In 1726 beledigde Voltaire een machtige jonge edelman waarvoor hij werd bestraft. Hij kreeg twee opties: de gevangenis of verbanning; hij koos het laatste. Van 1726 tot 1729 woonde hij in Engeland. In die tijd ging hij zich interesseren voor de filosofie van John Locke en de ideeën van Sir Isaac Newton. Voltaire bestudeerde Engelands constitutionele monarchie en de religieuze tolerantie aldaar. Hij interesseerde zich vooral voor het filosofische rationalisme van die tijd en de natuurwetenschappen. Na zijn terugkeer in Parijs schreef hij een boek waarin hij de Engelse gewoontes en instituties prees, de Lettres Philosophiques, en het Newtonianisme als alternatief voor Descartes' rationalisme introduceerde. Het boek werd geïnterpreteerd als kritiek op de Franse overheid en in 1734 moest Voltaire Parijs opnieuw verlaten.

Na een uitnodiging van een intelligente vriendin, de Marquise du Chatelet, ging Voltaire wonen in haar Chateau de Cirey vlakbij Chaumont in Oost-Frankrijk. Voltaire, de markiezin en de markies vormden een hechte "ménage à trois" die uiteenging toen de markiezin in het kraambed stierf. Verscheidene jaren bestudeerden ze allebei de natuurwetenschappen. In 1746 werd Voltaire toegelaten tot de Académie française. In 1749, na de dood van Marquise du Chatelet en nadat Voltaire een uitnodiging had gekregen van de koning van Pruisen, Frederik de Grote, verhuisde hij naar Potsdam (vlakbij Berlijn). Nadat hij verscheidene malen aanvaringen had gehad met de koning keerde Voltaire in 1753 terug naar Frankrijk.

Om uit de handen van de Franse autoriteiten te kunnen blijven verhuist hij in 1755 naar Genève, waar hij net buiten de stad een huis laat bouwen met uitzicht op het meer, genaamd Les Délices (nu: Institut et Musée Voltaire). Het is hier dat hij zijn beroemde gedicht Poème sur le désastre de Lisbonne schrijft n.a.v. de verwoestende aardbeving die dat jaar Lissabon had getroffen. Dit gedicht, waarin Voltaire zijn twijfel uitdrukt over de goedheid van God, zou de aanzet worden tot zijn meest beroemde verhaal, Candide, où l'Optimisme. Op Les Délices laat Voltaire veel toneelstukken uitvoeren. Maar omdat de Geneefse autoriteiten (evenals zijn grote tegenhanger Jean-Jacques Rousseau overigens) toneel verderfelijk vinden voor de moraal wijkt hij een paar jaar later uit naar Ferney, een stadje net over de grens van de Geneefse Republiek. In 1759 kocht hij daar een landgoed waar hij tot vlak voor zijn dood zou wonen. Voltaire, die door allerlei beleggingen imiddels een vermogend man is geworden, breidt het landgoed enorm uit, laat akkers en wijngaarden aanleggen, waardoor het dorp tot grote bloei komt. Hij wordt dan ook al snel de seigneur van Ferney genoemd, en later zou het stadje worden omgedoopt tot Ferney-Voltaire.

Voltaire was ondertussen allerminst vergeten door de intelligentsia. Vele filosofen komen hem in Ferney opzoeken, waaronder d'Alembert, Baron d'Holbach, David Hume en vele anderen. "Waar Voltaire is, daar is het centrum van de Verlichting" werd wel gezegd, en wat dat betreft was Ferney het middelpunt van de Europese Republiek der Letteren.

Een prominente, maar niet in de smaak gevallen, bezoeker was Casanova die in zijn memoires een uitgebreid verslag van zijn bezoek geeft. Voltaire deed het af met de opmerking: "Er was hier een vreemd mannetje te gast".

In 1759 verschijnt dan Candide. In dit verhaal bekritiseert hij de optimistisch ingestelde monadenfilosofie van Leibniz, die in de hoedanigheid van Pangloss die als mentor het hoe en waarom in de wereld probeert uit te leggen aan de hoofdpersoon, Candide. Tijdens een reis door Europa komt Candide telkens in aanraking met de ongerijmdheden en wreedheid van het aardse bestaan, maar iedere keer verzekert Pangloss hem dat alles gebeurt voor een goed doel in deze wereld die de best mogelijke van alle is. Uiteindelijk lijkt Candide zich bij deze filosofie neer te leggen, en concludeert dat "il faut cultiver son jardin. (Het is goed om je tuin bij te houden)"

Naast zijn literaire inspanningen gaat Voltaire zich ook steeds meer bezighouden met allerlei maatschappelijke en juridische misstanden, en wordt daarmee één van de eerste voorvechters voor de mensenrechten. Zo mengt hij zich in een zaak in Toulouse, waarbij een protestant, Jean Calas, onterecht ter dood werd veroordeeld omdat hij een hand zou hebben gehad in de dood van zijn zoon, die zich tot Katholiek zou hebben willen bekeren. Voltaire bestudeert alle dossiers over deze zaak, en ondanks het feit dat Calas wel ter dood zou worden gebracht werd hij in 1765 postuum toch nog vrijgesproken. Voltaire gaat zich daarna meer en meer op gelijksoortige zaken toeleggen. Ook vertaalt hij een geschrift van de Italiaanse jurist Cesare Beccaria (Dei delitti e delle pene), waarin gepleit wordt voor afschaffing van de doodstraf en martelingen en de humanisering van de rechtspraak, naar het Frans, en publiceert zijn Traité sur la Tolérance in 1763.

Maar ondanks het feit dat Voltaire naarmate hij ouder werd steeds cynischer en skeptischer werd t.a.v. de wereld en van God zou hij nooit van zijn geloof afvallen. Zo liet hij op een bijgebouw bij zijn kasteel in Ferney de tekst "Deo erexit Voltaire" (door Voltaire opgericht voor God) aanbrengen. Qua geloof is Voltaire deïstisch, hoewel hij zichzelf een theïst noemt. Dit houdt in dat hij God ziet als diegene die de klok een slinger heeft gegeven, waarna deze zichzelf blijft voorbewegen. Hij gelooft dus niet in een God die direct ingrijpt in het menselijk bestaan.

Op de leeftijd van 83 jaar keerde Voltaire als een held terug in Parijs. In de Comédie Francaise was hij aanwezig toen zijn laatste toneelstuk Irène werd opgevoerd, waarna hij een staande ovatie ontving. Kort daarop echter stierf hij. Vanwege zijn kritiek op de kerk mocht hij niet op kerkelijke grond begraven worden. Uiteindelijk werd hij begraven bij een abdij in de Champagne. In 1791 werden zijn overblijfselen met veel plechtig vertoon verplaatst naar het Pantheon in Parijs. In 1815, toen het gebouw weer een kerk werd, liet Lodewijk XVIII Voltaire daar rusten omdat het "hem goed zou doen om af en toe een mis te horen".

18 mei 2006

Hugo de Groot

Hugo de Groot werd geboren te Delft als telg van een Nederlands patriciërsgeslacht. Zijn vader, Jan de Groot (1554-1640), had veel bekende geleerden uit de Republiek als vriend. Deze geleerden herkenden al snel Hugo's bijzondere begaafdheid; zo kon De Groot al vanaf zijn achtste dichten in het Latijn. Dit leidde er toe dat De Groot al op zijn elfde ging studeren aan de universiteit van Leiden.

Hij schreef onder andere Latijnse tragedies, theologische verhandelingen, en ook Latijnse en Nederlandse gedichten. Zijn belangrijkste werken liggen op historisch en juridisch gebied. Zijn beroemdste werk is De iure belli ac pacis (Over het recht van oorlog en vrede) uit 1625. Dit vormt de basis voor het moderne volkenrecht.

De Groot was tevens theoloog. Hij trachtte zijn overtuigingen te verenigen met het calvinisme maar slaagde hier niet in, omdat het idee dat God niet in alles het laatste woord heeft niet verenigbaar is met het concept van predestinatie. Om deze reden sloot hij zich aan bij de volgelingen van Jacobus Arminius, de remonstranten. Dit pakte echter verkeerd uit en na ingrijpen van Prins Maurits in de godsdienstige twisten werd hij samen met onder andere Johan van Oldenbarneveldt opgepakt en veroordeeld. Van Oldenbarneveldt werd terechtgesteld en Hugo de Groot door een college van 24 rechter 'ter eeuwige gevangenisse' op Slot Loevestein veroordeeld.

Op 5 juni 1619 kwam Hugo hier aan, gevold door zijn vrouw Maria van Reigersberg en dienstmeisje Elsje van Houweningen. Hij mocht blijven studeren. Daarvoor kreeg hij uit Leiden boeken in een kist die soldaten bij een familie in Gorinchem ophaalden en wegbrachten. Dat bracht Maria op een idee. Zij maande Hugo: "Kruip in die kist en zorg dat je er twee uur in kunt blijven zitten zonder geluid te maken". Ze liet hem avonden lang oefenen.

Op 22 maart 1621 was het jaarmarkt in Gorinchem. De gevangenisbaas was weg. Maria legde met Elsje de boeken in bed, zodat het net leek of Hugo weer eens ziek was. Met alleen zijn ondergoed en zijden kousen aan kroop hij in de kist. Elsje ging met de soldaten mee en hield de kist in de gaten. Eenmaal bij de familie aangekomen snelde Hugo eruit om in metselaarskleren naar Parijs te vluchten.

In 1631 keerde hij terug naar Rotterdam, in de hoop dat hij zich weer in Holland kon vestigen. Zes jaar na de dood van Prins Maurits was het politieke klimaat onder diens opvolger Frederik Hendrik veel minder geworden. Burgermeester van Berkel pleitte voor amnestie voor hem in de Staten van Holland. Ook Hooft die tot de kring rond de stadhouder behoorde deed een goed woordje. Maar De Groot zelf weigerde welk verzoek dan ook tot de Staten of de prins te richten. Het jaar daarop vaardigden de staten een nieuw arrestatiebevel uit, en moest hij opnieuw in ballingschap gaan.

Vanaf 1634 leefde hij als gezant van Zweden in Parijs. Het was zijn taak om Franse steun te winnen voor de Zweedse interventiepolitiek in Duitsland. De Zweden streden aan de zijde van de Duitse protestanten in de dertigjarige oorlog. Als principiëel en wat rechtlijnig remonstrant kon hij echter moeilijk overweg met de opportunistische Fransen onder kardinaal Richelieu. Onder invloed van de "franse partij' aan het hof in Stockholm werd hij op 20 december 1644 teruggeroepen.

De jonge koningin Christina wilde hem tot staatsraad benoemen om haar te adviseren in zaken van buitenlandse politiek. Maar bovenal wilde ze hem een wetenschappelijke bibliotheek voor haar laten samenstellen. De Groot voelde daar niets voor. Ook het noordelijke klimaat trok hem en zijn vrouw weinig. In maart 1645 vertrok hij uit Stockholm, naar Lübeck. Zijn schip leed echter schipbreuk bij het oversteken van de Baltische zee. Hij kwam veilig aan wal, maar ver naar het oosten. Te paard reisde hij vanaf 13 augustus richting Lübeck, maar uitgeput bereikte hij Rostock. Daar overleed hij op 28 augustus. Zijn laatste woorden zouden zijn geweest: "door veel te begrijpen, heb ik niets bereikt". Hugo de Groot ligt begraven in de Nieuwe Kerk in Delft, vlakbij Prins Maurits.

17 mei 2006

Antonie van Leeuwenhoek

Antonie van Leeuwenhoek werd geboren op 24 oktober 1632 te Delft, en op 4 november van dat jaar gedoopt als Thonis Philipszoon. Later zou hij zich Van Leeuwenhoek gaan noemen; het huis van zijn ouders stond in Delft op de hoek naast de Leeuwenpoort.

Zijn vader stierf toen Van Leeuwenhoek 6 jaar oud was. Zijn moeder hertrouwde, maar zijn stiefvader overleed toen van Leeuwenhoek 16 jaar was. Hij ging in Warmond naar school en werd vervolgens in Amsterdam opgeleid tot lakenverkoper. Op jonge leeftijd bleek hij al over een zeer brede belangstelling te beschikken: hij las zoveel hij kon over onderwerpen op het gebied van sterrenkunde, wiskunde, natuurkunde en scheikunde.

In een vertrek achter de winkelruimte ontwikkelde hij zichzelf tot een wereldberoemd wetenschapper. Als lakenverkoper bestudeerde hij al stoffen met geslepen glas. Van Leeuwenhoek leerde zichzelf glasblazen, slijpen en polijsten en kon vervolgens lenzen van een hoge kwaliteit maken. Met zijn handgemaakte microscopen nam hij spiervezels en de stroom van bloed in haarvaatjes waar. Van Van Leeuwenhoek zijn ook de eerste beschrijvingen van bacteriën en menselijke zaadcellen, die hij 'dierkens' noemde.

Zijn waarnemingen schreef hij op in brieven die hij aan enkele bekenden in Nederland stuurde. Een van hen was de Delftse arts Reinier de Graaf, die Van Leeuwenhoek introduceerde bij de beroemde Royal Society in Londen. De leden waren zo onder indruk van zijn werk dat ze hem in 1680 officieel benoemden tot lid. Vele staatshoofden en wetenschappers kwamen naar Delft om door zijn microscopen te kijken. Tijdens zijn leven sleep hij meer dan 500 optische lenzen, waarvan sommige met een vergrotend vermogen van ongeveer 480x.

Van Leeuwenhoek stierf op 26 augustus 1723 te Delft en werd aldaar op 31 augustus begraven in de Oude Kerk.

16 mei 2006

Galileo Galilei

Galileo Galileo (15 februari 1564 - 8 januari 1642) was een Italiaanse natuurkundige, filosoof en astronoom. Hij was hoogleraar in Pisa en Padua.

Galilei gebruikte als één van de eersten een telescoop en ontdekte vier manen van Jupiter. Ook nam hij de schijngestalten van de planeet Venus waar en de kraters op de maan.

Op grond van zijn waarnemingen en de theorie van Nikolaus Copernicus kwam Galilei tot de conclusie dat de zon in het midden van ons zonnestelsel staat en de planeten, de aarde inbegrepen, rond de zon draait (de heliocentrische theorie).

Dit druisde echter in tegen de leer van de Rooms-Katholieke Kerk, die de aarde als het middelpunt van het universum beschouwde. In een kerkelijk proces werd hij veroordeeld tot huisarrest, van 1633 tot 1642. Tijdens deze periode slaagde hij erin een belangrijk boek, waarin zijn nieuwe inzichten verdedigd werden, Discorsi, e dimostrazioni matematiche, intorno à due nuoue scienze, naar het buitenland te laten smokkelen. Het werd in 1637 in Leiden gepubliceerd.

15 mei 2006

Publius Vergilius Maro

Virgil (70 v. Chr. - 19 v. Chr.) was een Romeins dichter. Zijn bekendste werk is de Aeneis waarin de grootheid van Rome wordt bezongen. Ook verschijnt Virgil in La Divina Commedia van Dante, waarin hij Dante begeleidt door het Vagevuur en de Hel. Andere werken van Virgil zijn Bucolica (herdersgezangen) en Georgica (een leerdicht over de landbouw).

Zijn grafschrift luidde: "Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope; cecini pascua, rura, duces."

Mantua baarde mij, Calabrië rukte mij uit het leven, Parthenope houdt me nu vast; ik heb weiden, landerijen en leiders bezongen.

Mantua was zijn geboorteplaats, in Brundisium (Calabrië) stierf hij, in Parthenope (Napels) werd hij begraven. De weiden slaan op de Bucolica, de landerijen op Georgica en de leiders op Aeneis.

14 mei 2006

John Locke

John Locke werd op 29 augustus 1632 geboren in Somerset, als zoon van een gematigde landeigenaar en advocaat die ook John Locke heette. Van 1647 tot 1652 volgde hij een standaard klassieke opleiding in Westminster, waarna hij ging studeren aan de universiteit van Oxford. In 1668 werd Lock lid van de Royal Society, de Britse academie voor wetenschappen. Kort daarna begon hij aan een studie medicijnen die hij in 1674 met succes afronde.

Locke was van mening dat de rede alleen te beperkt was om als fundament voor kennis te dienen. Daartoe was ook de ervaring en de reflectie daarop nodig. De opvatting van aangeboren kennis of "innate knowledge" werd door Locke verworpen.

Tevens maakte Locke naam als een van de grote verdragstheoretici. Hij overleed op 28 oktober 1704.

13 mei 2006

Alfred Nobel

Alfred Nobel werd op 21 oktober 1833 geboren in Stockholm. Op negenjarige leeftijd verhuisde hij naar Sint Petersburg, waar zijn vader een torpedo-bedrijf begon. Alfred volgde er een internationale opleiding met de nadruk op scheikunde en talen. In 1853 keerde Alfred met zijn vader terug naar Zweden en wijdde zich aan de studie der explosieven. In 1864 werd Alfreds jongere broer Emil een een aantal werklui gedood door een explosie in de fabriek van de familie Nobel.

De bekendste uitvinding van Alfred Nobel is de uitvinding van het dynamiet in 1867. Minder bekend is het feit dat Alfred Nobel ook toneelschrijver was. Hij overleed op 10 december 1896 en is begraven in Stockholm. Op die dag worden jaarlijks de Nobelprijzen uitgereikt.

12 mei 2006

Goethe

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 - 22 maart 1832) was een Duits schrijver, wetenschapper, filosoof en staatsman.

Hij studeerde rechten aan de universiteiten van Leipzig en Straatsburg en in 1722 werd hij werkzaam aan het hoogste gerechtshof in Wetzlar. In 1775 verhuisde hij op uitnodiging van Karel August, hertog van Saksen-Weimar-Eisenbach, naar Weimar. Hij trad in staatsdienst bij de hertog en werd ondermeer belast met talloze politieke taken, het beheer van de financiën en de weg- en mijnbouw, het krijgswezen en later het beheer van het hoftheater.

In deze periode werd zijn interesse in de natuurwetenschappen aangewakerd. Bij de bestudering van menselijke schedels ontdekte hij het tussenkaaksbeen, een bij de mens vergroeid stuk bot dat voordien alleen bij dieren was aangetroffen. Met deze ontdekking inspireerde hij later onder andere Charles Darwin. Tevens is het mineraal goethiet naar hem vernoemd. In 1782 werd hij in de adelstand verheven.

n 1786 vertrok Goethe naar Italië, wat opgevat kan worden in de traditie van kunstreizen in die tijd. Hij overwoog schilder te worden maar stapte later toch van dat plan af. Zijn oberservaties van de Italiaanse kleurenpracht mondden later uit in zijn kleurenleer en tevens kwam hij in Italië op het spoor van de zogenaamde oerplant. Deze oerplant, waarvan alle plantensoorten kunnen worden afgeleid, zou niet als organisme in de natuur terug te vinden zijn, maar moest worden opgevat als geestelijk model of concept.

Na een verblijf van enkele maanden in Rome reisde Goethe door naar Napels, waar hij de Vesuvius bestudeerde. In 1788 werd hij door de hertog teruggeroepen naar Weimar omdat hij steun nodig had bij militaire aangelegenheden. Hij nam deel aan de oorlogen tegen Frankrijk.

De jaren na 1794 worden gekenmerkt door een hechte vriendschap met Friedrich Schiller. Onderwerp van gezamenlijke studie waren o.a. de gebeurtenissen rond de Franse Revolutie en de esthetica in de kunst. Uit deze samenwerking ontwikkelde zich een stijl, die wordt aangeduid met de term Weimarer Klassik.

In 1806 trouwde Goethe met Christiane Vulpius. Zij kregen vijf kinderen, waarvan alleen August von Goethe (1789-1830) langer leefde dan enkele dagen.

Vanaf 1794 wijdde hij zich hoofdzakelijk aan de literatuur en het afnemen van audiënties in zijn huis te Weimar. In de laatste jaren van zijn leven tekende zijn secretaris Johann Peter Eckermann gesprekken met Goethe op in het beroemd geworden boek Gespräche mit Goethe in den letzten Jahren seines Lebens. Goethe overleed op 82-jarige leeftijd in Weimar.